ECLI:NL:CRVB:2019:3679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was tot november 2003 werkzaam als productiemedewerker en ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, laatstelijk vastgesteld op 15 tot 25%.
Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WAO-uitkering per 15 februari 2017. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant met de vastgestelde beperkingen de geselecteerde functies kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. Het onderzoek van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige was zorgvuldig en overtuigend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering per 15 februari 2017 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.