ECLI:NL:CRVB:2019:3681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit loongerelateerde WGA-uitkering ondanks betwisting duurzaamheid arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als editor, meldde zich in 2010 ziek met psychische klachten en kreeg in 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 80%.
Na een melding van verslechtering in 2015 handhaafde het UWV het besluit over de uitkering, wat bij bezwaar werd herroepen maar zonder wijziging van de uitkeringshoogte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld, inclusief de psychische klachten en beperkingen aan linkerhand en duim.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was, met name vanwege de degeneratieve klachten aan zijn linkerduim en knieën. De Raad concludeerde dat de medische beoordeling adequaat was, dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een ander oordeel leidde en dat de beperkingen niet duurzaam waren in de zin van de Wet WIA.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarbij ook geen proceskostenveroordeling werd opgelegd. De uitkering blijft gebaseerd op volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, waardoor geen recht op een IVA-uitkering bestaat.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit over de loongerelateerde WGA-uitkering wordt bevestigd.