ECLI:NL:CRVB:2019:3682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk, maar wel belastbaar met beperkingen, en berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%, wat toekenning van een WIA-uitkering uitsloot.
Na bezwaar en beroep werd dit oordeel bevestigd door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die rekening hield met zowel lichamelijke als psychische beperkingen, waaronder PTSS, depressie en fibromyalgie. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd aangepast en de geselecteerde functies bleken medisch geschikt. Appellante voerde aan dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en verwees naar intensieve therapie en zorg voor haar kind.
De Raad oordeelt dat de medische gegevens en rapporten geen aanleiding geven om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te verwerpen. Er is geen sprake van opname, bedlegerigheid of onvermogen tot functioneren. De beperkingen zijn afdoende meegenomen en de urenbeperking biedt ruimte voor therapie. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering ontvangt wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.