ECLI:NL:CRVB:2019:3706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens ongewijzigde arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 2003 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid, welke in 2006 werd verlaagd naar 35-45%. In 2015 meldde zij een toename van haar arbeidsongeschiktheid, maar medisch en arbeidskundig onderzoek toonde aan dat haar situatie ongewijzigd was sinds 2011. Het UWV besloot daarom de mate van arbeidsongeschiktheid op 35-45% te handhaven.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar pijnklachten en medicijngebruik onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was om 38 uur per week te werken. Zij overlegde medische stukken van diverse specialisten ter onderbouwing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en concludeerde dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige had bovendien voldoende gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties passend waren ondanks medicatiegebruik.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.