ECLI:NL:CRVB:2019:3713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanpassing WGA-vervolguitkering ondanks medische bezwaren
Appellant was sinds 2009 ziek gemeld en ontving vanaf 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na diverse herbeoordelingen stelde het UWV de WGA-vervolguitkering per 1 maart 2016 vast in de klasse 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen deze aanpassing, stellende dat zijn rugklachten en psychische aandoeningen (ernstige depressie en PTSS) meer beperkingen rechtvaardigden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het radiologisch beeld en de psychische beperkingen juist had geïnterpreteerd en gemotiveerd. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en dat de medische rapporten een toename van beperkingen rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de brief van de neuroloog van 27 oktober 2016 sprak van een ongewijzigd beeld en dat de beperkingen voor de rugklachten reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren opgenomen. Ook achtte de Raad de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de psychische klachten voldoende. Er was geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij de aanpassing van de WGA-vervolguitkering naar de klasse 65 tot 80% gehandhaafd bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanpassing van de WGA-vervolguitkering naar de klasse 65 tot 80% wordt bevestigd.