ECLI:NL:CRVB:2019:3721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks visus- en psychische klachten
Appellant, geboren in 1991, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege een oogletsel en diverse klachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet als jonggehandicapte werd beschouwd, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport die concludeerden dat appellant arbeidsvermogen bezit.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zou ondermijnen. De stellingen van appellant over zijn beperkingen werden onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten over visus, cognitieve en psychische problemen, maar leverde wederom geen nieuwe medische informatie aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant geschikt wordt geacht om bepaalde taken uit te voeren binnen een arbeidsorganisatie, mede gezien zijn zelfstandigheid in het huishouden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de afwijzing van de Wajong-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens het bestaan van arbeidsvermogen.