ECLI:NL:CRVB:2019:3723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid na hernia
Appellant, die sinds 2006 arbeidsongeschikt is door rugklachten en hernia’s, verzocht om een WIA-uitkering wegens toegenomen beperkingen vanaf februari 2013. Het UWV weigerde dit aanvankelijk, met het argument dat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de hernia’s beide voortvloeien uit een degeneratieve aandoening van de wervelkolom en dat sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. De Raad schakelde een onafhankelijke neuroloog in, die concludeerde dat de hernia’s mogelijk met elkaar samenhangen, maar dat de beperkingen niet groter zijn dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV trok het eerdere besluit in en kende appellant een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 46,66%.
Appellant betwistte de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was vanwege hevige pijn en bewegingsbeperkingen. De deskundige en verzekeringsarts vonden echter geen medische grond voor het aannemen van meer beperkingen dan in de FML vermeld. De Raad volgde dit oordeel en wees het beroep tegen het nieuwe besluit af.
Verder oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim zes maanden was overschreden, geheel toe te rekenen aan de bestuursrechter, en veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding van €1.000,-. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, en de Staat tot vergoeding van proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 2 juni 2015 wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 4 maart 2019 wordt ongegrond verklaard, met een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.