ECLI:NL:CRVB:2019:3727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WGA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van een stichting tegen het besluit van het UWV om de WGA-uitkering van een ex-werkneemster ongewijzigd voort te zetten. De ex-werkneemster was volledig arbeidsongeschikt, maar het geschil betrof de duurzaamheid daarvan en de vraag of zij recht had op een IVA-uitkering.
De rechtbank had het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard, stellende dat op basis van rapporten van verzekeringsartsen en informatie van de behandelend psychiater een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid bestond. De verzekeringsarts had de gedeeltelijke herstelverwachting geïnterpreteerd als verbetering van functionele mogelijkheden die arbeidsparticipatie op lange termijn mogelijk maakt.
In hoger beroep voerde de stichting aan dat het herstel niet gericht was op arbeidsparticipatie en dat de verzekeringsarts onvoldoende had gemotiveerd waarom de gedeeltelijke verbetering tot arbeidsparticipatie zou leiden. Het UWV wees op een later toegekende IVA-uitkering per 1 april 2018, gebaseerd op de medische situatie en functionele mogelijkheden die niet wezenlijk waren veranderd sinds 2016.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts een concrete, deugdelijke afweging had gemaakt en dat de verwachting van verbetering op basis van intensieve behandelingen voldoende was onderbouwd. Het feit dat de behandeling achteraf niet tot verbetering leidde, deed hieraan niet af. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster op 23 februari 2016 niet duurzaam was, waardoor de WGA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.