Uitspraak
19.1751 PW
5 maart 2019, 18/5637 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een AIO-aanvulling die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd ingetrokken vanwege het bezit van een auto met een waarde boven het vrijgestelde vermogen. De Svb vorderde het te veel betaalde bedrag van €1.483,76 terug. Na bezwaar en beroep bleef dit besluit in stand en werd het onherroepelijk.
Vervolgens stelde de Svb de aflossingscapaciteit van appellante vast op €731,74, rekening houdend met haar inkomen en banksaldo, en eiste betaling binnen vier weken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat rekening was gehouden met de beslagvrije voet en appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij niet kon betalen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder het argument dat zij geen rijbewijs heeft en dat het vreemd is dat de resterende vordering hoger is dan de aflossingscapaciteit. De Raad oordeelde dat deze gronden reeds gemotiveerd waren behandeld door de rechtbank en dat appellante geen nieuwe feiten of argumenten had aangevoerd om het oordeel te wijzigen.
De Raad bevestigde de vaststelling van de aflossingscapaciteit en de terugvordering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde aflossingscapaciteit en terugvordering worden bevestigd.