Appellante meldde zich in 2008 en opnieuw in 2012 ziek met psychische klachten en ontving aanvankelijk geen WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep kende het Uwv per 5 mei 2014 een WGA-vervolguitkering toe in de klasse 35 tot 45%. De rechtbank bevestigde dit besluit, maar in hoger beroep werd twijfel geuit over de juiste verwoording van beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die een nieuw rapport uitbracht, leidend tot een gewijzigde beslissing van het Uwv op 22 mei 2019, waarbij de WGA-vervolguitkering werd verhoogd naar de klasse 65 tot 80%. Appellante voerde aan dat haar beperkingen nog uitgebreider waren dan vastgesteld, maar bracht geen nieuwe medische stukken in.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent is en dat er geen reden is om het niet te volgen. De aangepaste FML en de functiebeoordeling van de arbeidsdeskundige ondersteunen de geschiktheid van appellante voor bepaalde functies binnen de genoemde arbeidsongeschiktheidsklasse.
Daarom vernietigt de Raad het eerdere besluit voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2014 betreft, verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante.