Uitspraak
17.5780 WW
mr. N. Roodenburg verschenen, als waarnemer van mr. Celebi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 3 augustus 2015 een WW-uitkering aangevraagd met ingang van 15 juli 2015. Het UWV heeft hem verzocht om inkomstenopgaven over juli tot en met oktober 2015 in te dienen, maar appellant heeft hieraan niet voldaan, ondanks herhaalde verzoeken en telefonische contacten.
Het UWV heeft daarom op 9 maart 2016 de betaling van de WW-uitkering opgeschort. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag bevestigde dit besluit en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Hoewel de rechtbank vond dat het UWV appellant had moeten horen, werd de schending van de hoorplicht gepasseerd omdat appellant hierdoor niet benadeeld was.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen in communicatie en dat hij niet gehoord is. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter de motivering van de rechtbank en bevestigt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij niet, eventueel met hulp, de gevraagde gegevens kon aanleveren.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de opschorting van de WW-uitkering wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.