Uitspraak
17.1548 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als manager projecten, meldde zich ziek met psychische en fysieke klachten en ontving een WGA-uitkering van het UWV. Na een breuk in haar linkerelleboog verzocht zij om herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Het UWV handhaafde de uitkering op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en medische rapporten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Hoewel appellante extra beperkingen aanvoerde, bood de medische informatie geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad onderschreef deze conclusie en stelde vast dat de tijdelijke extra beperkingen door de breuk adequaat waren verwerkt in de FML.
De Raad verwierp het standpunt van appellante dat het dragen van een drukverband en sling zwaardere beperkingen zou rechtvaardigen, omdat deze slechts kortdurend werden gedragen en mobilisatie van de arm noodzakelijk was. De geselecteerde functies werden passend geacht en de WGA-vervolguitkering werd terecht ongewijzigd voortgezet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld en de WGA-vervolguitkering terecht ongewijzigd is voortgezet.