Uitspraak
[Appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3)
Namens appellant 3 heeft mr. M. van Breenen hoger beroep ingesteld.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, politieambtenaren werkzaam bij verschillende eenheden, verzochten vergoeding van verblijfkosten voor gemaakte dienstreizen buiten hun plaats van tewerkstelling. Deze verzoeken werden door de korpschef afgewezen omdat de verplaatsingen onderdeel zijn van reguliere dienstverrichtingen en geen incidentele dienstreizen betreffen.
De rechtbanken verklaarden de beroepen ongegrond en oordeelden dat structurele reisbewegingen binnen de reguliere werkzaamheden niet kwalificeren als dienstreizen. Ook het subsidiaire verzoek om een afbouwregeling werd afgewezen omdat appellanten tijdig op de hoogte waren van het nieuwe vergoedingsregime.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken. De Raad stelt dat de definitie van dienstreis in het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie (Brvvp) incidentele reizen betreft en niet structurele verplaatsingen die onderdeel zijn van de normale dienstverrichting. De vergoeding van verblijfkosten wordt daarom niet toegekend.
De Raad wijst verder op de bekendmaking binnen de eenheid dat vanaf juni 2016 uniforme toepassing van de regels geldt, waardoor appellanten rekening konden houden met het nieuwe beleid. Er is geen reden voor een afbouwregeling. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en de verzoeken afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst de verzoeken tot vergoeding van verblijfkosten af en bevestigt dat structurele reisbewegingen geen dienstreizen zijn.