Uitspraak
OVERWEGINGEN
uitkering van appellant heeft beëindigd vanaf 16 oktober 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was bedrijfsleider en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 66,6%. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij in beroep ging bij de rechtbank die het UWV-onderzoek en de besluitvorming bevestigde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij op grond van een later rapport van Aob Compaz meer beperkingen had dan het UWV had vastgesteld. Hij verzocht om een nieuw besluit of benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig medisch onderzoek had gedaan en dat het rapport van Aob Compaz niet relevant was voor de datum in geschil omdat het later was opgesteld en een ander beoordelingskader hanteerde. De Raad onderschreef de eerdere oordelen dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden en dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.