ECLI:NL:CRVB:2019:382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping medeterugvordering wegens ondeugdelijke motivering gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht over medeterugvordering van bijstand. Het college baseerde de medeterugvordering op het vermoeden van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en de heer A, waarbij werd aangenomen dat uit hun relatie een kind is geboren. Appellante betwistte dit en voerde aan dat het college dit niet had aangetoond.
Het college steunde haar standpunt op een door appellante ondertekende verklaring dat A de natuurlijke vader van haar zoon is, en een verklaring van de vriendin van A. De Raad kende aan laatstgenoemde verklaring minder gewicht toe, omdat deze op horen zeggen was gebaseerd. A zelf verklaarde niet met zekerheid vader te zijn. Ook de zoon en de zus van appellante leverden verklaringen die de twijfel bevestigden. Appellante was bovendien na twee dagen teruggekomen op haar verklaring.
Gezien deze feiten en omstandigheden stelde de Raad vast dat niet onomstotelijk was komen vast te staan dat A de vader van de zoon is en dat er een gezamenlijke huishouding bestond. Hierdoor was het besluit van het college ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de medeterugvordering betreft. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot medeterugvordering wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens ondeugdelijke motivering over het bestaan van een gezamenlijke huishouding.