ECLI:NL:CRVB:2019:3822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontvangt sinds 2002 bijstand en werd onderzocht naar aanleiding van een anonieme tip over zwartwerken. Uit het onderzoek bleek dat zij de financiën van haar vader beheerde en over diens bankrekening beschikte, wat zij niet aan het college had gemeld. Hierdoor was haar financiële situatie onduidelijk en kon niet worden vastgesteld of zij recht had op bijstand.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 april 2016 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. Appellante voerde aan dat zij de gelden van haar vader niet voor zichzelf gebruikte en dat het college op de hoogte was van haar mantelzorg, maar deze gronden werden verworpen.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het opgenomen geld uitsluitend voor haar vader gebruikte. Ook kon niet worden vastgesteld hoe zij in haar levensonderhoud voorzag gezien de beperkte contante opnames en het ontbreken van pinbetalingen in supermarkten.
Verder faalde appellante in het aannemelijk maken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad concludeert dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd, en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.