ECLI:NL:CRVB:2019:3833
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke besteding vermogen na verkoop woning
Appellante, een alleenstaande vrouw, vroeg meerdere malen bijstand aan op grond van de Participatiewet. Zij beschikte over een vermogen van €117.379,44 uit de verkoop van haar woning. Het college wees haar aanvragen af omdat zij onvoldoende inzicht gaf in de besteding van dit bedrag. De kantonrechter stelde haar onder bewind wegens verkwisting.
In hoger beroep stelde appellante dat haar gokverslaafde zoon het geld had vergokt en dat zij geen vermogen meer had. Zij overhandigde bankafschriften van haar zoon ter onderbouwing. Het college stelde vast dat €84.990,- was overgemaakt aan de zoon, maar dat €32.389,44 onverklaard bleef.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende verifieerbare gegevens had verstrekt over de besteding van het gehele bedrag. De stelling dat een deel was gebruikt voor schuldaflossing en inrichtingskosten werd niet aannemelijk gemaakt. De onder bewindstelling leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de besteding van het vermogen.