ECLI:NL:CRVB:2019:3839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig administratief medewerker, ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 december 2014 na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die concludeerden dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende functie.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat zijn medische beperkingen, waaronder reusceltumoren en neuropathische pijn, onvoldoende waren meegenomen en dat hij geen benutbare mogelijkheden had. De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke verzekeringsarts die de beperkingen nader onderzocht en concludeerde dat appellant weliswaar beperkingen had, maar nog steeds geschikt was voor administratief werk.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat het oordeel van de arbeidsdeskundige dat appellant zijn maatgevende arbeid kon verrichten, voldoende gemotiveerd was. Hoewel het UWV het besluit aanvankelijk niet deugdelijk motiveerde, werden deze gebreken gepasseerd omdat appellant daardoor niet benadeeld werd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.