ECLI:NL:CRVB:2019:3840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek in 2009 en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na bezwaar van de werkgever werd de uitkering beëindigd, waarna appellant hoger beroep instelde.
In 2015 en 2016 meldde appellant verslechtering van zijn gezondheid, waarop verzekeringsartsen medisch onderzoek deden en beperkingen vaststelden. Arbeidsdeskundigen concludeerden echter dat appellant geschikt bleef voor zijn eigen werk en andere functies, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35% en uiteindelijk 0%. Het UWV verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbanken bevestigden deze besluiten.
Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen, waaronder reusceltumoren en psychische klachten, onderschat waren en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die het medisch onderzoek en de FML bevestigde als zorgvuldig en consistent. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat er geen sprake was van verlies van verdiencapaciteit.
Daarmee bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.