Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als werkvoorbereider, meldde zich in april 2014 ziek met psychische klachten en vroeg in januari 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, mede door de ziekte van Bechterew, onvoldoende waren erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen terecht geen urenbeperking hadden vastgesteld. De arbeidsdeskundige motiveerde voldoende waarom de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn vermoeidheidsklachten en ziekte van Bechterew. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de aangevoerde medische stukken geen aanleiding gaven tot twijfel aan de beoordeling. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van 8 december 2016 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.