ECLI:NL:CRVB:2019:3912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag hulp bij het huishouden wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant, bekend met rugklachten, verzocht het college op grond van de Wmo 2015 om een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden. Het college wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) van 15 november 2017, waarin werd vastgesteld dat appellant na een tweede operatie in juli 2017 geen beperkingen meer had die hulp bij het huishouden rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant geen medische informatie had overgelegd die het advies van het IAB tegensprak. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij nog steeds ernstige beperkingen ondervindt en dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar kon dit niet met relevante medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig tot stand was gekomen, dat appellant na de operatie in staat was alle noodzakelijke handelingen voor huishoudelijke taken te verrichten en dat de medische stukken die appellant overlegde betrekking hadden op perioden voor de tweede operatie of na het bestreden besluit. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor hulp bij het huishouden wordt bevestigd.