ECLI:NL:CRVB:2019:3930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het besluit tot beëindiging van ZW-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante, werkzaam als kasmedewerker, meldde zich op 6 januari 2017 ziek met klachten aan haar rechterhand. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd zij per die datum geschikt bevonden voor haar laatst verrichte arbeid. Het UWV stelde daarop vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel, waarbij werd overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen aanleiding was tot twijfel aan de medische conclusies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten van overbelasting haar ongeschikt maakten voor haar werk en overhandigde zij medische stukken en persoonlijke verslagen ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep heeft deze stukken onderzocht en concludeerde dat er geen neurologische uitval of andere medische afwijkingen waren die haar geschiktheid voor de arbeid in de weg stonden. De Raad onderschreef het oordeel van de verzekeringsartsen dat zij geschikt was voor haar arbeid per 6 januari 2017.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om het hoger beroep gegrond te verklaren en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.