ECLI:NL:CRVB:2019:3932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens onvoldoende duurzaamheid arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 28 september 2011 arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten en ontving vanaf 7 oktober 2013 een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Op 9 april 2015 verzocht zij om een herbeoordeling wegens verslechterde gezondheid. Het UWV stelde vast dat zij volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam, en handhaafde de WIA-uitkering.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en bepaalde dat zij vanaf 7 oktober 2016 recht had op een IVA-uitkering. Appellante ging in hoger beroep tegen de afwijzing van de IVA-uitkering per 9 april 2015 en voerde aan dat zij duurzaam arbeidsongeschikt was vanwege het uitblijven van herstel na intensieve therapie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid op de datum in geding niet duurzaam was. De medische rapporten toonden aan dat er een meer dan geringe kans op herstel bestond en dat de behandeling nog liep tot november 2015. De latere toekenning van een IVA-uitkering per 7 oktober 2016 deed hieraan niets af. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; appellante was op 9 april 2015 niet duurzaam arbeidsongeschikt en krijgt geen IVA-uitkering vanaf die datum.