ECLI:NL:CRVB:2019:3938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende financiële duidelijkheid
Appellant diende op 17 november 2016 een aanvraag voor bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad. Deze aanvraag werd op 1 maart 2017 afgewezen, en het bezwaar hiertegen werd op 31 mei 2017 gehandhaafd. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij bijstandbehoevend was, mede omdat hij niet kon aantonen hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud had voorzien.
In de maanden voorafgaand aan de aanvraag en daarna werden verschillende contante stortingen gedaan op de bankrekening van appellant, ter waarde van in totaal € 2.380,-, waarvan de herkomst niet controleerbaar was. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en oordeelde dat een aanvrager volledige openheid van zaken moet geven over zijn financiële situatie om recht op bijstand vast te stellen. Appellant had zijn verklaringen over ondersteuning door familieleden en verblijf bij familie in Nederland en België niet met bewijsstukken onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere stellingen en dat de rechtbank gemotiveerd op deze gronden was ingegaan. Appellant voerde geen nieuwe redenen aan om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende financiële duidelijkheid.