ECLI:NL:CRVB:2019:3942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening studiefinanciering wegens woonsituatie
Appellante ontving studiefinanciering als uitwonende studente vanaf 1 november 2016. De minister liet op 24 februari 2017 een onderzoek uitvoeren naar haar woonsituatie, waaruit een rapport voortkwam dat leidde tot een herzieningsbesluit van 31 maart 2017. Dit besluit werd gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2017, waarbij appellante vanaf 1 november 2016 als thuiswonend werd aangemerkt en een bedrag van €1.037,75 werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verklaring van de hoofdbewoner van het adres en de bevindingen van de controleurs voldoende bewijs vormden dat appellante niet op het adres woonde. Appellante voerde echter hoger beroep aan tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat ernstige twijfel bestaat over de authenticiteit van de verklaring van de hoofdbewoner in het rapport. Het rapport bevatte meerdere onjuistheden, zoals het ontbreken van toestemming voor huisbezoek en het maken van foto's, en was mager onderbouwd. Omdat naast deze verklaring geen ander bewijs aan het besluit ten grondslag lag, werd het hoger beroep gegrond verklaard.
Het besluit van 31 maart 2017 werd herroepen omdat nader onderzoek naar de situatie op het moment van controle niet mogelijk is. De Raad veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. Hiermee werd het geschil definitief beslecht.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de studiefinanciering wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.