ECLI:NL:CRVB:2019:3942

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
18/2149 WSF-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen herziening studiefinanciering wegens woonsituatie

Appellante ontving studiefinanciering als uitwonende studente vanaf 1 november 2016. De minister liet op 24 februari 2017 een onderzoek uitvoeren naar haar woonsituatie, waaruit een rapport voortkwam dat leidde tot een herzieningsbesluit van 31 maart 2017. Dit besluit werd gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2017, waarbij appellante vanaf 1 november 2016 als thuiswonend werd aangemerkt en een bedrag van €1.037,75 werd teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verklaring van de hoofdbewoner van het adres en de bevindingen van de controleurs voldoende bewijs vormden dat appellante niet op het adres woonde. Appellante voerde echter hoger beroep aan tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat ernstige twijfel bestaat over de authenticiteit van de verklaring van de hoofdbewoner in het rapport. Het rapport bevatte meerdere onjuistheden, zoals het ontbreken van toestemming voor huisbezoek en het maken van foto's, en was mager onderbouwd. Omdat naast deze verklaring geen ander bewijs aan het besluit ten grondslag lag, werd het hoger beroep gegrond verklaard.

Het besluit van 31 maart 2017 werd herroepen omdat nader onderzoek naar de situatie op het moment van controle niet mogelijk is. De Raad veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. Hiermee werd het geschil definitief beslecht.

Uitkomst: Het besluit tot herziening van de studiefinanciering wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

18.2149 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2018, 17/5595 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te Den Haag (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 november 2019
Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: S.L. Alves
Ter zitting zijn verschenen: appellante bijgestaan door mr. C. Moustaine en drs. P.M.S. Slagter als vertegenwoordiger van de minister.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 augustus 2017;
- herroept het besluit van 31 maart 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het besluit van 1 augustus 2017;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-;
- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze beslissing is ter zitting van 20 november 2019 in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 november 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Op 24 februari 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
2. Bij besluit van 31 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 november 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.037,75 teruggevorderd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat op grond van de waarnemingen en bevindingen van de controleurs voldoende aannemelijk is dat appellante ten tijde van de controle niet op het brp-adres woonde. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder de verklaring van de hoofdbewoner in aanmerking. Afdoende staat vast dat de controleurs te woord zijn gestaan door de hoofdbewoner van de woning. Aan het achteraf intrekken of ontkennen van de verklaring komt weinig betekenis toe. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd die maken dat getwijfeld moet worden aan de bevindingen van de controleurs.
4. Het geschil is beperkt tot de vraag of aan de in het rapport opgenomen verklaring van de hoofdbewoner dat appellante niet woonachtig is op het brp-adres waarde kan worden gehecht. Naar het oordeel van de Raad is dat niet zo. De hoofdbewoner heeft ontkend verklaard te hebben als opgenomen in het rapport en daarvoor te hebben getekend. Aan de hand van het rijbewijs en identiteitsbewijs van de hoofdbewoner heeft de Raad ter zitting vastgesteld dat op zijn minst ernstige twijfel bestaat of de hoofdbewoner de in het rapport opgenomen verklaring heeft ondertekend. Daarbij komt dat sprake is van een bijzonder mager onderbouwd rapport dat aantoonbaar meerdere onjuistheden bevat. Zo is tussen partijen niet in geschil dat anders dan vermeld in het rapport, het formulier “Toestemming Huisbezoek” niet is ondertekend en dat geen toestemming is verleend voor het betreden van de woning. Evenmin is in geschil dat ten onrechte in het rapport is opgenomen dat tijdens het huisbezoek de woning is getoond. Van het verlenen van toestemming voor het maken van foto’s tijdens het huisbezoek is al evenmin sprake geweest. Nu naast de verklaring van de hoofdbewoner niets aan het besluit van de minister ten grondslag ligt slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
5. Nu nader onderzoek naar de ten tijde van de controle bestaande situatie onmogelijk is, behoort herstel van het geconstateerde gebrek niet tot de mogelijkheden en zal de Raad het besluit van 31 maart 2017 herroepen om het geschil definitief te beslechten.
6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.560,-.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) J. Brand