Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
achtste lid, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid niet te belemmeren door gedrag.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg een maatregel opgelegd waarbij zijn bijstand werd verlaagd omdat het college meende dat hij door zijn gedrag het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid had belemmerd. Dit besluit werd genomen naar aanleiding van een gesprek met een recruiter over een vacature als verkeersregelaar, waarbij appellant informatie gaf over zijn uitkeringssituatie.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij het besluit niet tijdig had ontvangen en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de verzenddatum was verstuurd.
De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de verzenddatum was verzonden, waardoor de bezwaartermijn niet was gestart. Hierdoor was het bezwaar tijdig ingediend en had het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens beoordeelde de Raad inhoudelijk dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat appellant het verkrijgen van arbeid had belemmerd. Daarom werd het besluit tot verlaging van de bijstand herroepen.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant. Hiermee werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wegens vermeende belemmering van het verkrijgen van arbeid wordt vernietigd en herroepen.