ECLI:NL:CRVB:2019:3954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor kosten woninginrichting na spoedverhuizing
Appellante verhuisde op 11 mei 2018 en vroeg op 10 juni 2018 bijzondere bijstand aan voor woninginrichting, na aanschaf van spullen met een lening van familieleden. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten al waren gemaakt en de noodzaak niet meer kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten noodzakelijk waren, ondanks haar stelling van een spoedverhuizing. De Raad toetste het hoger beroep en concludeerde dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen.
De Raad vond dat de enkele stelling over de medische toestand onvoldoende was om de noodzaak van de kosten vast te stellen. Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van bijzondere bijstand omdat de kosten al waren gemaakt en de spoedverhuizing niet aannemelijk is gemaakt.