ECLI:NL:CRVB:2019:3959

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
10 december 2019
Zaaknummer
17/7878 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWZorgverzekeringswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten wegens voorliggende voorziening

In deze zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie door het college van burgemeester en wethouders van Langedijk.

Het college wees de aanvragen af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde regeling als voorliggende voorziening gelden, zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW). Dit betekent dat kosten die binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt, niet via bijzondere bijstand vergoed kunnen worden.

In dit geval is bewust gekozen om de eerste twintig fysiotherapiebehandelingen niet te vergoeden binnen het basispakket van de Zvw. Hoewel appellant stelde dat de kosten noodzakelijk waren op basis van een verwijzingsbrief van een specialist, is dit volgens de Raad niet relevant vanwege de bewuste uitsluiting binnen de Zvw.

Appellant voerde tevens aan zich niet aanvullend te hebben kunnen verzekeren, maar dit verandert niets aan het feit dat de Zvw een voorliggende voorziening is. Ook heeft appellant geen zeer dringende redenen gesteld zoals vereist in artikel 16 PW Pro om toch bijzondere bijstand te verkrijgen.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten wordt bevestigd.

Uitspraak

17.7878 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 november 2017, 17/428 en 17/2808 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Canada (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)
Datum uitspraak: 3 december 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: I.A. Siskina
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door O.H. Stom.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat om twee afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten van fysiotherapie. Het college heeft de aanvragen afgewezen omdat sprake is van een voorliggende voorziening en niet gebleken is van een zeer dringende reden om alsnog bijstand toe te kennen.
Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie is – zo is niet geschil – de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regeling Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW). Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW strekt het recht op bijstand zich niet uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien in de voorliggende voorziening de bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van die kosten kan het bijstandverlenend orgaan daar in beginsel geen bijzondere bijstand voor toekennen. In dit geval is er een bewuste keuze gemaakt door de eerste twintig behandelingen niet voor vergoeding in aanmerking te brengen onder het basispakket.
De omstandigheid dat - zoals appellant stelt - de kosten noodzakelijk waren, gelet op de verwijzingsbrief van de specialist, is gelet op het voorgaande niet van belang. Vanwege de bewuste keuze om de eerste twintig behandelingen uit te sluiten, bestaat voor het college geen ruimte om de aangevraagde bijzondere bijstand toe te kennen. De enkele omstandigheid dat appellant stelt dat hij zich niet aanvullend heeft kunnen verzekeren doet er niet aan af dat er sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW.
Appellant heeft geen zeer dringende redenen gesteld in de zin van artikel 16 van Pro de PW. Het beroep daarop gaat niet op.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I.A. Siskina (getekend) P.W. van Straalen