ECLI:NL:CRVB:2019:3968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking bijstand wegens ontbreken wederzijdse zorg in gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest beschuldigd van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X zonder dit te melden. Het college trok daarom de bijstand in en vorderde de ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overweegt dat het college wel aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en X hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, maar onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het criterium van wederzijdse zorg. Uit verklaringen blijkt dat appellante enige zorg voor X verrichtte, maar van zorg van X voor appellante is geen sprake. Hierdoor ontbrak een deugdelijke grondslag voor de besluiten.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellante en X, ondanks betwisting, betrouwbaar zijn en dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende concreet zijn om het hoofdverblijf te betwisten. Het college heeft de besluiten niet zorgvuldig voorbereid en de beroepen zijn gegrond. De Raad herroept de besluiten, veroordeelt het college tot vergoeding van schade en proceskosten en bepaalt dat het college het betaalde griffierecht vergoedt.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd en herroepen wegens ontbreken van voldoende bewijs voor wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding.