ECLI:NL:CRVB:2019:3975

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
11 december 2019
Zaaknummer
18/197 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AIO-aanvulling wegens onvoldoende informatie over onroerend goed in Turkije

Appellant verzocht om een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling), maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag af wegens onvoldoende informatie over zijn vermogen. Appellant bezit sinds 1998 een woning en grond in Turkije, wat als vermogen geldt, maar had dit niet gemeld bij de Svb.

De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen tegen de afwijzing en intrekking van de AIO-aanvulling ongegrond. In hoger beroep heeft appellant aanvullende stukken overgelegd, waaronder taxatierapporten en verklaringen van lokale autoriteiten, maar deze waren onvoldoende om de economische waarde van het onroerend goed in de relevante periodes vast te stellen.

De rapporten waren van na de beoordelingsperiodes en gaven geen inzicht in de waardebepalende factoren. De verklaringen van de gemeente en het dorpshoofd waren niet deskundig genoeg en de belastingwaarde kon niet zonder meer als economische waarde worden beschouwd. Appellant droeg het risico van bewijsnood, aangezien hij het bezit van het onroerend goed niet tijdig had gemeld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende informatie over de waarde van het onroerend goed in Turkije.

Uitspraak

18.197 PW-PV, 18/198 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 26 november 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2017, 17/4786 en 17/4788 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting hebben: M. Hillen als voorzitter en W.F. Claessens en Th.C. van Sloten als leden
Griffier: V.Y. van Almelo
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. Akkas, advocaat. Als tolk is verschenen W. Woning. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 17 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2017 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de aanvraag van appellant van 19 oktober 2016 om bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) afgewezen. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over zijn vermogen om het recht op een AIO-aanvulling vast te kunnen stellen.
Bij besluit van 2 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2017 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant over de periode van
6 december 2013 tot en met 13 september 2016 ingetrokken. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant sinds 1 oktober 1998 eigenaar is van een woning en een stuk grond in Turkije. In strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft appellant geen melding gemaakt van dit vermogen. Omdat appellant onvoldoende informatie heeft verschaft over de waarde van de onroerende zaken, kan het recht op AIO-aanvulling niet worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Voor de aanvraag loopt de te beoordelen periode van 19 oktober 2016 tot en met 17 januari 2017 (periode 1). Voor de intrekking loopt de periode in geding van 6 december 2013 tot en met 13 september 2016 (periode 2).
Niet in geschil is dat appellant sinds 10 oktober 1998 in het bezit is van een woning met grond in Turkije wat is aan te merken als vermogen waarover hij kan beschikken. Evenmin is in geschil dat appellant hiervan tot 19 oktober 2016 geen melding heeft gemaakt bij de Svb. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant voldoende gegevens heeft verstrekt over de waarde(ontwikkeling) van de woning en de grond in Turkije om over de periodes 1 en 2 het recht op AIO-aanvulling te kunnen vaststellen.
In hoger beroep heeft appellant nadere stuken ingebracht, waaronder een rapport van [naam 1] van 28 december 2017, een rapport van [naam bedrijf] van 21 december 2017, een schriftelijke verklaring van de gemeente [gemeente 1] van 19 december 2017 en een schriftelijke verklaring van [naam 2] , het dorpshoofd van [gemeente 2] , van 25 december 2017.
Appellant heeft met die stukken niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Daargelaten dat de door appellant overgelegde rapporten van de makelaars dateren van na de periodes 1 en 2, blijkt uit deze rapporten niet hoe de waarde van de woning en de grond is vastgesteld en welke waardebepalende factoren daarbij een rol hebben gespeeld. De rapporten vermelden beide niet meer dan het adres van de woning, de ligging en dat het gaat om een stenen huis met tuin op een perceel van 247 m2 gelegen in een dorp. Verder is omschreven dat het huis twee slaapkamers bevat, drie kelders en een keuken. Enkele foto’s zijn bijgevoegd. De door appellant overgelegde verklaringen van de gemeente [gemeente 1] en het dorpshoofd zijn evenmin voldoende om de economische waarde van de woning en de grond in de periodes 1 en 2 vast te stellen. Aan de belastingwaarde van een onroerende zaak kan niet zonder meer betekenis worden gehecht voor de beantwoording van de vraag wat de waarde daarvan in het economisch verkeer is. Daarbij speelt mede een rol dat de belastingwaarde wordt vastgesteld op aangifte van de eigenaar zelf. Ten slotte heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het dorpshoofd een deskundige is ter zake van de waardebepaling van onroerende zaken.
Voor zover appellant zich beroept op bewijsnood komt dat voor zijn rekening en risico. Appellant had immers bij aanvang van de AIO-aanvulling moeten melden dat hij over een woning en grond in Turkije beschikte.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) M. Hillen