ECLI:NL:CRVB:2019:3982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit na ziekte
Appellant was werkzaam als ijzerwerker scheepsbouw en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV beoordeelde zijn verdiencapaciteit na ziekte en stelde vast dat hij geschikt was voor meerdere functies, waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het UWV ten onrechte geen urenbeperking had opgenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren meegenomen. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde dat de visie van de bedrijfsarts niet doorslaggevend is binnen het beoordelingskader van de Ziektewet. Ook werd geoordeeld dat het dragen van veiligheidsschoenen geen belemmering vormt voor het verrichten van de voorgehouden functies.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Raad vond geen aanleiding het medisch oordeel te herzien of een deskundige te benoemen. De Raad bevestigde ook het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld per 27 januari 2017, omdat hij geschikt is voor gangbare arbeid binnen de EZWb. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.