ECLI:NL:CRVB:2019:3990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als productiemedewerker in de pluimvee-verwerkende industrie, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geschikt was voor geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de verzekeringsartsen ten onrechte alleen rekening hielden met PTSS en niet met een depressieve stoornis, en dat zijn rughernia onvoldoende werd meegewogen. Ook stelde hij dat de geselecteerde functies niet geschikt waren vanwege medicijngebruik en fysieke beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding gaf tot verdergaande beperkingen en dat de geschiktheid voor de functies afdoende was gemotiveerd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.