Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer legde aan appellant twee maatregelbesluiten op wegens het niet naar vermogen trachten te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De eerste maatregel betrof een verlaging van 20% van de bijstand en de tweede een verlaging van 100%.
De eerste maatregel werd door de rechtbank vernietigd, de tweede maatregel bleef gehandhaafd. In hoger beroep betwistte appellant de feitelijke grondslag van de tweede maatregel. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant zijn arbeidsinschakeling had gefrustreerd, mede omdat er geen verslagen waren van gesprekken waarin appellant zou hebben geweigerd werkzaamheden vanwege fysieke klachten.
De Raad stelde vast dat appellant wel actief had deelgenomen aan het re-integratietraject en vanaf 22 mei 2017 daadwerkelijk een baan had. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de tweede maatregel betrof, herroept het besluit van 2 mei 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Tevens veroordeelde zij het college in de kosten van appellanten.