ECLI:NL:CRVB:2019:4011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering militair invaliditeitspensioen wegens ontbreken dienstongeval
Appellant was dienstplichtig militair van 1969 tot 1972 en liep tijdens een weekendverlof in 1970 een dwarslaesie op door een duik in ondiep water. Hij verzocht in 2015 om een militair invaliditeitspensioen, maar de staatssecretaris staakte de behandeling omdat het ongeval geen dienstongeval was. Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard door de staatssecretaris en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellant dat de voorzieningen die hij tijdens zijn ambtelijke loopbaan ontving, zoals een aangepaste auto en handbike, ook na pensionering vergoed moesten worden op grond van het Besluit AO/IV. De Raad beperkte zich tot de vraag of het pensioen geweigerd mocht worden en bevestigde dat het ongeval geen dienstongeval was, zoals ook door appellant erkend.
De Raad zag geen grond om de staatssecretaris te verplichten de gewenste voorzieningen toe te kennen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van 27 december 2018 werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het militair invaliditeitspensioen bevestigd.