Uitspraak
20 maart 2017, 16/2990 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich in 2012 ziek met pijn- en vermoeidheidsklachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2015 werd de WGA-uitkering beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant meldde in 2016 een vermeerde gezondheidsklachten, waarop een nieuw onderzoek plaatsvond. Dit onderzoek concludeerde dat er geen toename was van de beperkingen ten opzichte van het eerdere onderzoek.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van het UWV werd ongegrond verklaard door de rechtbank, die oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een andere conclusie. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en overhandigde aanvullende medische documenten, waaronder brieven van psychiaters en een psycholoog.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden afdoende en overtuigend had gemotiveerd en dat de aanvullende medische stukken geen aanleiding gaven om het eerdere oordeel te herzien. De Raad bevestigde dat er op de datum in geschil geen sprake was van een toename van de medische beperkingen en dat het hoger beroep daarom niet slaagt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen recht op WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.