ECLI:NL:CRVB:2019:4061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk administratief medewerkster, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Na bezwaar en beroep werd de FML licht gewijzigd, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld, ook gelet op de diagnose Ehlers-Danlos syndroom (EDS).
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat haar beperkingen onderschat waren. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek had verricht, alle relevante medische informatie had betrokken en dat de beperkingen in de FML terecht waren vastgesteld. Het rapport van een onafhankelijke arts bood onvoldoende aanleiding tot herziening.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat appellante niet meer dan 35% arbeidsongeschikt was. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.