ECLI:NL:CRVB:2019:4062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als inpakker en meldde zich ziek in december 2011. Het UWV kende hem vanaf december 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 53,46%. Later werd een vervolguitkering toegekend gebaseerd op 45-55% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechterde gezondheid werd de WGA-vervolguitkering beëindigd en een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
In 2016 vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen vaststelden via een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen en arbeidsongeschiktheid goed waren gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het Hongaarse BFP een hogere gezondheidsschade had vastgesteld en dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de door het BFP vastgestelde beperkingen niet wezenlijk afwijken van de FML en dat de Hongaarse beoordeling geen aanleiding geeft om het UWV-besluit te herzien. Ook concludeerde de Raad dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aantonen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.