ECLI:NL:CRVB:2019:4067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende wachttijd
Appellante was werkzaam als verzorgende C in de thuiszorg en meldde zich ziek met klachten zoals duizelingen en moeheid. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, maar na een eerstejaars beoordeling werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop de ZW-uitkering werd beëindigd. Tevens werd haar aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen omdat zij de wachttijd van 104 weken niet had vervuld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep medische verklaringen aan die haar ongeschiktheid tot werken zouden onderstrepen, maar leverde geen nieuwe medische informatie die de eerdere beoordeling zou weerleggen.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde en de WIA-uitkering weigerde. Appellante heeft belang bij de uitspraak vanwege pensioenopbouwmogelijkheden die verbonden zijn aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.