Uitspraak
17.6599 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2016 ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Werknemer viel uit met een burn-out en probeerde vanaf eind 2014 enkele keren te re-integreren in aangepaste werkzaamheden, wat niet succesvol was. De bedrijfsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst op en een arbeidsdeskundige adviseerde het inzetten van een tweede spoor traject, dat echter pas na drie maanden werd gestart.
Het UWV legde een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, met name door het te laat starten van het tweede spoor en het inadequaat uitvoeren van het traject, waarbij onvoldoende rekening werd gehouden met de beperkingen van de werknemer.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar de Centrale Raad van Beroep kwam tot een ander oordeel. De Raad oordeelde dat het tweede spoor te laat was ingezet en dat het traject onvoldoende was afgestemd op de beperkingen van de werknemer. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
De Raad benadrukte dat het opschudmoment een belangrijk moment is om het tweede spoor te starten indien terugkeer in het eigen werk niet realistisch is. De werkgever had onvoldoende gemotiveerd waarom het tweede spoor later werd ingezet en het re-integratietraject was eenzijdig gericht op functies die niet passend waren bij de beperkingen van de werknemer.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige en adequate re-integratie-inspanningen door werkgevers bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft gehandhaafd.