ECLI:NL:CRVB:2019:4098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag IOAW wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de IOAW en verklaarde tijdens een dienstverleningsgesprek dat hij vanaf 24 juli 2018 op het opgegeven adres zou gaan wonen. Medewerkers van de gemeente hebben meerdere huisbezoeken afgelegd, waarbij appellant niet werd aangetroffen. Tijdens een gesprek gaf appellant aan dat hij op het adres verbleef en daar sliep, maar een aansluitend huisbezoek toonde aan dat de woning nauwelijks was ingericht en persoonlijke spullen ontbraken.
Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het adres had. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en de voorzieningenrechter wees een verzoek om voorlopige voorziening af, waarbij werd gewezen op het ontbreken van persoonlijke gebruiksvoorwerpen als sterke indicator tegen hoofdverblijf.
In hoger beroep voerde appellant aan wel op het adres te verblijven, maar de Raad volgde de eerdere overwegingen en oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de IOAW-aanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.