Uitspraak
18.766 AWBZ
2 januari 2016, 16/2669 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Het zorgkantoor stelde het persoonsgebonden budget (pgb) van appellant voor 2013 aanvankelijk vast op €44.277,19, maar wijzigde dit later naar nihil, waarna een gedeeltelijke herziening plaatsvond tot €21.110,15. De rechtbank oordeelde dat de door BT Begeleiding geleverde zorg niet als AWBZ-zorg kwalificeerde en dat het zorgkantoor in redelijkheid tot een lagere vaststelling kon besluiten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de begeleiding door BT Begeleiding wel degelijk AWBZ-zorg betrof, gericht op het aanleren van vaardigheden en bevordering van zelfstandigheid, wat onder het pgb betaald zou moeten worden. De Raad heeft deze stellingen onderzocht en vastgesteld dat de activiteiten onvoldoende concreet waren onderbouwd om als zorg in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ te worden aangemerkt.
De Raad concludeert dat het zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd moet worden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor het pgb terecht lager heeft vastgesteld.