ECLI:NL:CRVB:2019:4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling mate arbeidsongeschiktheid loongerelateerde WGA-uitkering
Appellant, werkzaam als monteur klimaatbeheersing, meldde zich ziek na een hartinfarct en werd in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage dat meerdere malen werd vastgesteld en gewijzigd door het UWV. Na bezwaar en beroep werd de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vastgesteld op 41,25%, later verhoogd naar 43,09% en uiteindelijk tijdens het hoger beroep naar 49,82%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met medische klachten zoals kortademigheid, obstructief slaapapneusyndroom en knieproblemen, en verzocht om benoeming van een longarts als deskundige.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen adequaat waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De aanpassing van de FML en de beoordeling van voorbeeldfuncties door de arbeidsdeskundige waren gemotiveerd en passend. Het beroep tegen het derde, gewijzigde besluit werd daarom verworpen.
De Raad vernietigde het besluit van 8 februari 2017 en verklaarde het beroep tegen dat besluit gegrond, maar wees het beroep tegen het besluit van 18 juni 2019 af. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 8 februari 2017 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; het beroep tegen het besluit van 18 juni 2019 wordt ongegrond verklaard.