Uitspraak
18.1219 ZW
mr. W. de Rooij-Bal.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als zorgverlener en meldde zich ziek met hoofdpijn- en rugklachten. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat zij per 15 juni 2017 geschikt was voor haar eigen werk. Het UWV besloot daarop het recht op ziekengeld te beëindigen, wat door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de klachten van appellante niet zodanig waren dat zij haar werk niet kon verrichten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar niet persoonlijk had onderzocht, en bracht aanvullende medische informatie in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van een persoonlijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet automatisch leidt tot onzorgvuldigheid. De arts had appellante wel gezien en onderzocht, en had de medische informatie van de huisarts en aanvullende stukken meegewogen. De nieuwe medische informatie bood geen aanleiding tot twijfel aan het eerdere oordeel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 15 juni 2017.