ECLI:NL:CRVB:2019:4131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid van 47,17% in WIA-uitkering
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2008 ziek na een bedrijfsongeval. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 52,67%, later gevolgd door een WGA-vervolguitkering met een percentage van 48,65%. In 2016 meldde appellant toegenomen psychische en lichamelijke klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 47,17% en wijzigde de uitkering niet.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten van appellant onvoldoende aanleiding gaven voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat de belastbaarheid binnen de geselecteerde functies niet werd overschreden.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten en vroeg om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en vond geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen. Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens aanvoerde, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 47,17% en verklaart het hoger beroep ongegrond.