Uitspraak
18.6308 WIA
OVERWEGINGEN
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
WGA-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig productiemedewerkster, is sinds 2006 arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV dat zij meer arbeidsgeschikt is dan eerder vastgesteld, maar behield de WGA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde recht te hebben op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende hadden gemotiveerd dat er behandelmogelijkheden zijn die herstel kunnen bevorderen. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die aanleiding gaven tot een ander oordeel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten, waaronder een angststoornis, niet voldoende waren meegewogen. Zij overhandigde rapporten van een psychiater en psycholoog. Het UWV reageerde met een aanvullend medisch rapport. De Raad concludeerde dat de prognose van herstel positief is en dat de klachten behandelbaar zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Er is geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins en uitgesproken op 18 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.