ECLI:NL:CRVB:2019:4139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering ondanks aangepaste medische beoordeling
Appellante, voormalig verkoopster, meldde zich ziek met voetklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. In bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld. De Raad liet een onafhankelijk deskundige rapporteren, die een borderline persoonlijkheidsstoornis en andere aandoeningen bevestigde, maar geen verslechtering sinds 2014 constateerde. De FML werd daarop aangepast en nieuwe functies geselecteerd die medisch geschikt bleken, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit terecht handhaafde, ondanks dat de oorspronkelijke motivering ondeugdelijk was, omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om appellante geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd ondanks een aangepaste medische beoordeling.