ECLI:NL:CRVB:2019:414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen
Appellant, voormalig steigerbouwer, viel uit wegens rugklachten en kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,47%, later verhoogd naar 52,7%. Na medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid per 29 mei 2015 vast op 72,94%, wat leidde tot een WGA-vervolguitkering in de klasse 65-80%.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn medische situatie verslechterd was en dat de geduide functies te zwaar waren. Hij bracht een rapport in met meer beperkingen, maar zonder de onderliggende medische informatie, waardoor de rechtbank dit rapport onvoldoende waarde toekende. In hoger beroep diende appellant alsnog de ontbrekende medische rapporten in, maar het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden dat deze geen aanleiding gaven tot een ander medisch oordeel.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in de beoordeling dat de beperkingen en de geschiktheid van de functies juist waren vastgesteld, en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 72,94% was bepaald. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; vaststelling arbeidsongeschiktheid van 72,94% wordt bevestigd.