ECLI:NL:CRVB:2019:4166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing studiefinanciering wegens ontbreken inschrijving volgens Nederlandse wet
Appellant vroeg studiefinanciering aan voor een voltijdse opleiding Politieke Wetenschappen in België. De minister kende aanvankelijk studiefinanciering toe, maar herzag dit besluit later en vorderde een bedrag terug wegens het ontbreken van een geldige inschrijving volgens de Nederlandse Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De rechtbank oordeelde dat de aanmelding van appellant aan de buitenlandse universiteit niet gelijkstaat aan inschrijving in de zin van artikel 2.14 Wsf 2000, omdat inschrijving volgens de Nederlandse wet vereist dat studiepunten worden opgenomen. Appellant had zijn reisrecht niet tijdig stopgezet, waardoor een OV-schuld ontstond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere gronden zonder nieuwe feiten of bewijs. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verduidelijkte dat inschrijving een wettelijk begrip is ontleend aan artikel 7.32 WHW, waarbij het recht op onderwijs en tentamens ontstaat. Voor de buitenlandse studie gold dat dit recht pas ontstaat bij opname van studiepunten, wat appellant niet had gedaan.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de terugvordering van studiefinanciering en OV-schuld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot terugvordering van studiefinanciering en vaststelling van OV-schuld wordt bevestigd.