Appellant, laatstelijk werkzaam als casemanager, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant gedeeltelijk arbeidsongeschikt is met een mate van 35-80% per 26 september 2016 en 35-45% per 26 november 2016. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat hij volledig arbeidsongeschikt is vanwege onder meer Body Dismorphic Disorder en een depressie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellant aanvullende medische stukken aan en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de rechtbank de gronden afdoende had gemotiveerd en dat de aanvullende stukken niet relevant waren voor de vastgestelde data.
De Raad concludeerde dat het UWV een goed beeld had van de psychische klachten en dat de ernst daarvan juist was ingeschat. Er was geen aanleiding voor twijfel aan de medische beoordeling of voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Ook was de motivering voor de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd voldoende.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Er werd ook geen proceskostenveroordeling uitgesproken.