ECLI:NL:CRVB:2019:4188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schoonmaker, ontving sinds 2007 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. In 2013 werd de WGA-loonaanvullingsuitkering beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een tijdelijke hernieuwde toekenning in 2015 vanwege een operatie, werd de uitkering opnieuw beëindigd per 23 februari 2016.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig werd bevonden. Appellant bracht in hoger beroep nieuwe medische informatie in en stelde dat hij niet zelfredzaam is en meer beperkingen heeft dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, behalve in de genoemde tijdelijke periode. De medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst geven een juist beeld van zijn beperkingen. De nieuwe medische stukken bevatten geen objectief nieuwe feiten die tot een ander oordeel leiden.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.